BART TROMP  1944 – 2007

 

Terug naar: de Startpagina

 

 

----- Original Message -----

From: Albert en Rineke

To: Albert en Rineke

Sent: Thursday, June 21, 2007 6:15 PM

Subject: BART TROMP 1944 - 2007

 

BART TROMP  1944 – 2007

 

 

Wat herdenkingsartikelen uit dagblad Het Parool van donderdag 21 juni 2007.

 

 

Dwarsligger die met liefde voor de aanval koos door Addie Schulte en Bas Soetenhorst

 

Met het plotselinge overlijden van Parool-columnist en hoogleraar Bart Tromp verliezen we een originele en onafhankelijke geest met sterke opvattingen, en een criticaster die er lol in had vriend en vijand op hun dwalingen te wijzen.

 

 

Drie jaar geleden, stom toevallig aan de vooravond van de moord op Theo van Gogh, zong columnist Theodor Holman Bart Tromp toe in de Rode Hoed, ter viering van diens 25-jarige verbondenheid met deze krant.

Holman nam de voorliefde van Tromp voor beginselprogramma’s van de PvdA en voor opera op de hak, door het programma van 1977 als een libretto voor te dragen.

“Kennis, arbeid, kapitaal en grondstoffen zijn ongelijk verdeeld.”

Het werd een genoeglijke avond waarbij Tromp niet werd gespaard door prominente gasten als Job Cohen en Ad Melkert.

Maar dat was geheel in stijl met de reputatie en het optreden van Tromp zelf.

Hij goot zijn meningen het liefst in de scherpst mogelijke bewoordingen. Daarbij stond de inhoud centraal, maar hij had er duidelijk lol in om in een vileine tussenzin de kritiek te laten vergezellen met een meer persoonlijke steek onder water.

Hij hield aan zijn standpunten vast, ook – of juist – als die niet modieus waren of zelfs lijnrecht tegen de tijdgeest in gingen.

Hét voorbeeld van zijn onverschrokken rechtlijnigheid vormt de column die hij schreef twee dagen na de moord op Pim Fortuyn, op 8 mei 2002.

Terwijl critici van het eerste uur zich plotseling uiterst genuanceerd uitlieten over het gedachtegoed van Fortuyn en diens politieke tegenstanders beveiliging nodig hadden, schreef Tromp: “Ik vond hem een schreeuwlelijk, uit op goedkoop succes.”

Waar anderen hun toon matigden, bleef Tromp volharden.

Hij bleef ook de achternaam van Fortuyn, die hij dertig jaar kende, pesterig als Fortuijn schrijven, zoals hij heette voordat hij zijn naam liet veranderen.

 

 

Tromp was zeer belezen.

Het verhaal gaat dat hij tijdens bezoeken aan de Frankfurter Buchmesse met uitgever Martin Ros de avonden niet gebruikte om bier te drinken. Ze trokken zich terug in hun hotel en deden een wedstrijdje wie de meeste boeken kon lezen.

Tromp werd in 1944 geboren in Sneek.

Zijn grootvader was los werkman, zijn ouders runden een fotohandel annex drogisterij.

Op school gold hij als briljant, maar in de puberteit werd hij recalcitrant en bleef hij zitten.

Volgens een portret uit 1985 in de Haagse Post werd hij een week naar huis gestuurd om de leraren rust te gunnen.

 

Na cum laude te zijn afgestudeerd al socioloog verhuisde hij van Groningen naar Eindhoven, voor een baan aan de Technische Universiteit.

Daar was hij actief in de PvdA en viel hij op met allerlei artikelen.

Tussen 1979 en 1985 zat Tromp in het partijbestuur, maar daar ontleende hij zijn positie niet aan.

Ook niet aan zijn rol als redacteur van het Jaarboek van democratisch socialisme, samen met historicus Jan Bank en Martin Ros, of aan zijn positie in het curatorium van de denktank van de partij, de Wiardi Beckman Stichting.

Zijn rol was vooral gebaseerd op een stroom kritische publicaties en goed getimede aanvallen op de koers van de partij. Daarbij was hij niet eenvoudig in een links of rechts kamp te plaatsen.

Zoals partijvoorzitter Ruud Koole elders op deze pagina zegt: “Tromp was altijd kritisch jegens de heersende lijn van dat moment.”

In de jaren tachtig keerde hij zich tegen de opstelling van de vredesbeweging in de Koude Oorlog en tegen de emotionele afwijzing van de kruisraketten door zijn partij.

Hij vond dat de partij eerst beter over een defensiepolitiek moest nadenken.

Later verzette hij zich tegen de partijvernieuwing van partijvoorzitter Felix Rottenberg en hamerde hij op de invloed van de leden.

Maar hij verzette zich ook tegen nieuwigheden als de invoering van een ledenraadpleging. Tromp voorzag dat de op die manier gekozen lijstrekker de partij tot diens persoonlijke vehikel zou maken.

Hij bleef altijd kritisch over Wouter Bos en zag in de nederlaag bij de verkiezingen van vorig jaar zijn gelijk over de negatieve kanten van het ledenreferendum.

 

Een stokpaardje was ook het bashen van andere vormen van democratische vernieuwing zoals die altijd zijn bepleit door D66.

De toch al geplaagde minister van Bestuurlijke Vernieuwing Thom de Graaf had de warme belangstelling van Tromp en werd stelselmatig weggeschreven.

Daarnaast wreef hij de PvdA regelmatig in dat die de sociaal-democratische beginselen had laten verwateren en had toegestaan dat er op de linkerflank een grote partij was ontstaan.

Die opstelling wekte wrevel, ook omdat niet altijd duidelijk was of zijn opvattingen over de partij wel zo consistent waren.

‘Zijn verhouding tot de PvdA is parasitair. Hij steekt en hij bijt, maar kan zonder niet leven. Want wat zou er interessant zijn aan Tromp als de PvdA werd opgeheven of als hij zijn partijlidmaatschap opzegde?’, schreef columnist Michiel Zonneveld in Het Parool.

 

 

Hij deed in 2001 een poging om partijvoorzitter te worden, waarvan sommigen zich later afvroegen of die echt serieus bedoeld was.

Hij had grote kennis van internationale betrekkingen, zowel historisch als actueel.

Die actualiteit behandelde hij in zijn columns in Elsevier, waar hij vooral de oorlog in Irak bekritiseerde.

Voorstanders van het Amerikaanse beleid konden steeds op zijn weerwoord rekenen.

Aan de Universiteit van Amsterdam was hij verbonden als bijzonder hoogleraar en hij zat in de Adviesraad voor Internationale Vraagstukken.

Tromps kracht op dit punt was niet het verrichten van eigen onderzoek, maar een enorme belezenheid, gekoppeld aan zijn sterke opvattingen.

Hij mengde zich volop in het debat rond de val van Srebrenica en de rol van Dutchbat daarin.

Steeds weer wees hij erop dat de Nederlandse militairen niet wisten van de massamoord op de Bosnische mannen en hekelde hij iedereen die ‘morele verontwaardiging botvierde op basis van aangetoonde leugens’.

Dat de Nederlanders laf waren, was volgens hem een legende.

Hij keerde zich later tegen het voorstel om Nederlandse ‘huurtroepen’ naar de Afghaanse provincie Oeroezgan te sturen.

En zelfs dat was een te mooi woord, voegde hij eraan toe, omdat Nederland zelf voor de kosten moest opdraaien.

 

 

In Leiden was hij jarenlang universitair docent politicologie, in de omgeving van mensen als Ruud Koole en Joop van den Berg.

In de tweede helft van de jaren negentig liep het mis.

Collega’s ergerden zich eraan dat hij geen zin had in organisatorische klussen en in publicatie van internationale artikelen.

In plaats daarvan was hij bezig met zijn columns, vonden critici.

Daar kwam gemopper over zijn functioneren als docent bij.

“Een grootheid in het doceren was hij niet”, zei een oud-student in het universiteitsblad Mare.

In het conflict met zijn werkgever werden over en weer de hakken in het zand gezet en het leidde ertoe dat er een financiële regeling werd getroffen.

“Bart voelde zich onrechtvaardig behandeld”, zegt Joop van den Berg. “Hij trok het zich zeer aan.”

Van den Berg begeleidde als promotor de laatste fase van het proefschrift waarmee Tromp promoveerde.

Het was een eindeloos lang traject, dat resulteerde in een dik boek over beginselprogramma’s van sociaal-democratische partijen.

“Het gekke was dat hij zich als  socioloog niet bekommerde om de vraag wat het maatschappelijk effect was van die programma’s”, aldus Van den Berg. “Hij was alleen geïnteresseerd in de inhoud.

 

 

 

 

 

NIEMAND WAS SCHERPER OF ERUDIETER

 

Joop van den Berg, promotor en oud-fractieleider van de PvdA in de Eerste Kamer: “Bart had een soort stijl van opereren die mensen enorm op de kast kon jagen. Daar schepte hij een zeker genoegen in. Hij kon vlijmscherp zijn. Toen hij begin jaren tachtig in het partijbestuur zat, klaagden andere leden wel dat hij zich als een commentator opstelde. Hij benoemde in een soort column de problemen en leunde daarna achterover. Dat gevoel was niet helemaal terecht, maar ik kan het me wel voorstellen.”

“Door de jaren heen was zijn kritiek op de PvdA dat de gewone partijleden verwaarloosd werden. Hij vreesde dat een ledenreferendum over de lijstrekker de leden daarna juist monddood zou maken. Ten dele heeft hij daarin gelijk gekregen, want de campagne van 2006 is door een klein clubje buiten de partij om gevoerd.”

“De laatste tien jaar was zijn invloed als columnist minder, heb ik de indruk. In de partij was een beetje de gedachte: daar heb je weer zo’n intellectueel die het beter weet. Maar er zijn weinigen die qua scherpte en eruditie bij hem in de buurt komen.”

 

 

 

KRITISCH TEGEN DE LIJN, OF DIE LINKS OF RECHTS IS

 

Ruud Koole (interim-)partijvoorzitter van de PvdA: “Bart wordt niet helemaal recht gedaan met de term partij-ideoloog. Hij was boven alles een onafhankelijke geest. Een overtuigd sociaal-democraat, die kritisch stond ten opzichte van de dominante lijn in de partij – of die nu erg links of recht was. En hij nam ook zijn verantwoordelijkheid. Hij heeft in het partijbestuur gezeten, in de partijraad, in de redactie van Socialisme & Democratie.”

“Als wetenschapper heb ik hem bij de Universiteit van Leiden goed leren kennen. We waren referent (eerste beoordelaar) van elkaars proefschrift. Hij was niet iemand die zelf grootschalig onderzoeksprojecten opstartte. Ook daar was hij meer commentariërend en neigde hij naar het aanvallen van heilige huisjes.”

“In 2001 waren we allebei kandidaat-partijvoorzitter. We wilden meer invloed voor de leden en waren tegen een kandidaat uit de Kamerfractie. Toen hebben we afgesproken dat degene die de minste kans zou maken, zich op het laatst zou terugtrekken ten faveure van de ander. Zoals Bart zei: Getrennt marschieren, gesamt schlagen.

 

 

 

 

TIRADES TEGEN PIM FORTUYN LEGENDARISCH

 

Erik van Gruijthuijsen, tot eind vorig jaar hoofdredacteur van Het Parool: “Van alle columnisten sprak ik Bart het minst. Bart trok zijn eigen plan. Een volkomen autonome denker, altijd een heldere betoogtrant, altijd op tijd met zijn stukkie.”

“Het meest legendarisch waren, wat mijn periode betreft, zijn tirades tegen Pim Fortuyn Twee keer had ik heftige discussies met hem. Toen de krant overschakelde op tabloidformaat moest ook Bart Tromp korter gaan schrijven. Hij vocht voor elk woord, en bij zevenhonderd woorden tekenden we een akkoord. Dat waren overigens nog altijd honderd meer dan zijn collega’s werd toegestaan.”

“De tweede keer was twee jaar geleden. Ik vond dat Bart zich in zijn bijdragen te zeer beperkte tot een paar thema’s: de PvdA, Blair en D66. En dan steeds met dezelfde voorhamer tekeer gaan. Geen lezer die er ook nog op reageerde. Hij schrok zich een ongeluk, zoiets was hem nog nooit verweten. Zijn revanche bestond eruit dat hij in het daaropvolgende jaar geen thema onbesproken liet.”

 

 

 

 

 

OPERAFAN, ZEILER EN HEEL TROTSE VADER

 

Anneke Groen, directeur van de Rode Hoed: “Twintig jaar geleden leerde ik Bart kennen op een symposium dat ik organiseerde, sindsdien waren we bevriend. Hij was een heel warme man. Eigenlijk heel verlegen en dat maakte hem ook zo sympathiek.”

“Hij was een enorme operafan, met ook hier enorme kennis van zaken. Van elke opera had hij thuis wel een bijzondere uitvoering op cd. Ooit heeft hij een keer afstand gedaan van kaarten voor de Salzburger Festspiele vanwege een bijeenkomst van de PvdA. Daar heeft hij jarenlang spijt van gehad. ‘Dat overkomt me nooit meer’, zei hij vaak. Hij was altijd bij de Zaterdagmatinee in het Concertgebouw. Daarna ging hij vaak zeilen.”

“Hij had een fabelachtig geheugen. In de PvdA was hij een luis in de pels. Hij riep weerstand op, niet zozeer omdat hij steeds gelijk wilde hebben, maar vooral omdat hij achteraf steeds gelijk hád.”

“Bart vormde een onafscheidelijk duo met zijn vrouw. Hij was apetrots op zijn dochter. Begin mei hebben ze haar naar New York gebracht, voor een stage bij de VN. En nu is hij er ineens niet meer. Ik kan me er nog niks bij voorstellen.”

 

GELEERDE STRAATVECHTER, TEGEN DE MODE door Lidy Nicolasen

 

Postuum Bart Tromp

De dinsdag 19 juni 2007 plotseling overleden hoogleraar Bart Tromp (62) bekritiseerde zijn eigen PvdA en menigeen daarbuiten.

 

 

Niemand die in 2001 serieus geloofde dat Bart Tomp echt voorzitter van de Partij van de Arbeid wilde worden.

Had hij zijn punt niet gemaakt door met zijn kandidatuur de Haagse partij-elite de voet dwars te zetten?

Maar dan lachte hij dat hese lachje, twinkelden zijn ogen achter de brillenglazen en mompelde hij: “Nee, nee, ik ga door.”

Vlak voor de verkiezing haakte hij, toch af ten faveure van zijn kompaan Ruud Koole.

Getrennt marschieren, vereint schlagen, zei hij.

Nooit heeft Bart Tromp, die dinsdag op 62-jarige leeftijd aan een hartstilstand overleed, nagelaten zijn partij te bekritiseren.

Hij miste daarin de verbeelding en de beginselen, hij hekelde de teloorgang van de interne partijdemocratie en het ontbreken van het intellectuele politieke debat.

 

In 2001 waarschuwde hij voor de opkomst van de SP, die hij authentieker noemde dan de PvdA.

“Er zal altijd een grote politieke beweging nodig zijn die onrechtvaardigheid uit de markt tegengaat zonder de voordelen ervan teniet te doen.”

De PvdA vindt zijn bestaansrecht in het bestrijden van de uitwassen van het kapitalisme, was zijn motto.

Tromp was behalve een fervent operaliefhebber en zeiler een polemist pur sang, een hooggeleerde straatvechter, die vlijmscherp en soms vilein uit de hoek kon komen.

Hij was uiterst gedreven en uitdagend en bestookte tegenvoeters net zolang tot ze in de hoek stonden.

Soms charmant, maar andere keren tot op het kinderachtige af.

Of zoals socioloog Kees Schuyt ooit schreef: “Tromp loopt graag in korte jongensbroek rond op de universiteit en in de politiek, zich niks aantrekkend van de heersende meningen of de gedragen conventies.:

 

Anders dan andere politici aarzelde Tromp niet Pim Fortuyn kort na diens dood te bekritiseren.

Hij vond hem een over het paard getilde narcist, een schreeuwlelijk en een politieke avonturier.

‘Ik heb bij Fortuyn niets gevonden dat maar enigszins lijkt op een doordacht idee over het functioneren van de democratie’, aldus de man die vond dat een politieke partij beginselen moest hebben.

 

Tromp werd geboren in Sneek, in een katholiek gezin.

Zijn vader had er een fotozaak.

Tromp studeerde sociologie in Groningen en sloot zich aan bij de studentenvakbond, waar twee vleugels al gauw op voet van oorlog verkeerden.

Tromp voerde de gematigde vleugel aan, ook toen al dwars tegen de heersende mode in.

Hij trouwde met Willemijn Brattinga, met wie hij een onafscheidelijk duo vormde. Ze hebben een dochter, die ze onlangs naar New York vergezelden voor haar stage bij de Verenigde Naties.

 

Tromp slaagde in Groningen cum laude en vond zijn eerste baan aan de Technische Universiteit van Eindhoven.

De universitaire wereld bleek zijn fort.

Hij doceerde politieke wetenschappen in Leiden – waar hij weg moest na een conflict over zijn inzet als docent en onderzoeker – en was tot zijn dood hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam (UvA), in de theorie en geschiedenis van de internationale betrekkingen.

Tromp promoveerde op politieke beginselprogramma’s, lang nadat hij tot hoogleraar was benoemd.

‘Hij had bij wijze van spreken al drie dissertaties geschreven’, zou historicus Maarten Brands ter verdediging zeggen.

 

Hij werd lid van de PvdA, na de Nacht van Schmelzer in 1966, zat in de partijraad, in het partijbestuur en in het curatorium van het wetenschappelijk bureau, de Wiardi Beckmanstichting.

Tromp was belezen, erudiet en begiftigd met sterke opvattingen.

Dat wilde hij weten ook.

Hij schreef columns voor Elsevier en Het Parool.

Hij was een vaste gast op de opiniepagina’s van de dagbladen en schreef vele boeken en politieke essays.

Tromp had naast de PvdA andere stokpaardjes.

De oorlog in Irak, bijvoorbeeld.

De deelname van Nederland was gebaseerd op leugens en bedrog, zei hij.

De Nederlandse troepenmacht in de Afghaanse provincie Uruzgan noemde hij ‘een huurleger’.

Hij keerde zich tegen de roep om rechtstreekse verkiezingen van burgemeester en premier, omdat persoonlijke verkiezingen politici te kwetsbaar maakt.

‘Denken dat ik de chef van het westelijk halfrond ben’, noemde hij ooit eens een heimelijk genoegen.

Maar met minstens zoveel plezier kon hij over de kritiek op zijn eeuwige eigenzinnigheid zeggen: “Te vroeg gelijk hebben, dat vergeven ze je nooit.”

 

 

Terug naar: de Startpagina