Februari 1993
Terug naar: de
Homepage van Rob van Es voor méér informatie
Bladwijzers: polariseren-2 Polarisatie-5
Naar
artikelen met o.a. bladwijzers “Polarisatie en/of polariseren” :
Polarisatie-1
; Zie bladwijzers uit Filosofie van de Hak op de Tak nr
2,
Polarisatie-2
; Zie bladwijzers uit Filosofie van de Hak op de Tak nr
3,
Polarisatie-3 ; Zie
bladwijzers uit De Ontwikkeling van het denken,
Polarisatie-4 ; Zie bladwijzers uit Nihilism
en Anarchisme als basis van het Atheisme,
Polariseren-1-zie bladwijzers uit Nihilisme en Anarchisme als basis
van het Atheisme,
Polariseren-3-zie bladwijzers uit Filosofie van de Hak
op de Tak nr.1,
Polariseren-4-zie bladwijzers uit Filosofie van de Hak
op de Tak nr.2,
Polariseren-5-zie bladwijzers uit Filosofische
Invallen 1t/m26,
Polariseren-6-zie
bladwijzers uit Varia 1t/m10,
DE UNIVERSITEIT VOOR HUMANISTIEK EN HET
ATHEISME
AI weer enige tijd geleden, namelijk op
maandag 7 september 1992, hield Prof. Dr. Douwe van Houten een rede in de
Janskerk te Utrecht. Dat was ter gelegenheid van de opening van het academisch
jaar 1992/93 van de Universiteit voor Humanistiek. Douwe van Houten is rector
van die universiteit. De titel van zijn rede was "Op zoek naar een
levensecht humanisme". In die rede komt een passage voor over het
atheďsme. Die passage getuigt helaas niet van veel inzicht in het atheďsme noch
in de geschiedenis daarvan, hetgeen bij een rector van een universiteit voor
'humanistiek' op zijn minst enige verwondering mag wekken...
Op een zeker moment zegt Douwe van Houten:
“... Anders gezegd beogen we,
gelijkwaardig naast elkaar, inspiratie te ontlenen aan een moreel bewogen
humanisme, aan een esthetisch humanisme, en aan een beschouwend humanisme. Voor
een vitaal humanisme is een dergelijk pluralisme van groot belang, juist omdat
dit uitnodigt tot dialoog". Zoals uit de tekst blijkt heeft hij eraan
vooraf gaand uitgelegd wat een en ander betekent. Maar dan komt het, want
kennelijk bedenkt hij nog net op tijd dat er toch nog iets is dat hij niet
onvermeld mag laten. Dat blijkt dan het atheďsme te zijn. Hij zegt: "Wat
in het boeket ontbreekt is de atheďstische bloem; binnen de humanistische
traditie een laatbloeier. Zeker in de zin van een anti-religieus
humanisme, achten we de relevantie hiervan binnen onze sterk geseculariseerde
samenleving betrekkelijk. Een meer principieel punt is dat we er de voorkeur
aan geven ons eerder te laten inspireren door iets waar we voor staan, dan door
iets waar we tegen zijn. We geven er dan ook de voorkeur aan samen te spreken
met andere levensbeschouwingen en ons niet te richten op het tegenspreken
ervan".
In bovenstaande tekst
zitten een paar beweringen die nu niet bepaald bevorderlijk zijn voor het
stellen van vertrouwen in het academische humanisme, waarvan redelijkerwijs
verondersteld mag worden dat dit door de rector verwoord wordt. Als eerste de
bewering dat het atheďsme binnen de humanistische traditie een 'laatbloeier'
zou zijn. Bedoelt Douwe van Houten werkelijk dat de atheďsten vergeleken bij de
humanisten pas net komen kijken en dat dan ook nog 'binnen' de humanistische
traditie? Dat zou echt het toppunt zijn! De feiten immers liggen, ook in het
verre verleden, volstrekt anders. Overal waar zoiets als 'humanisme' optreedt
ligt een, met het oog op dreigend levensgevaar vaak niet nadrukkelijk
uitgesproken, atheďsme aan de basis. Zo houdt de voor humanisme kenmerkende
verwijzing naar de mens noodzakelijk een er aan voorafgaand besef van godloosheid in. Dat wordt tegenwoordig niet meer zo graag
toegegeven, vooral omdat nogal wat humanisten liever de kerk in het midden
laten en zich als “agnostisch” etaleren. Dat is wat veiliger, ogenschijnlijk
wat wetenschappelijker en stellig maatschappelijk wat aanvaardbaarder. Het is
minder polariserend,
het klinkt minder gelijkhebberig...
Er is een onontkoombare 'ja-nee'
verhouding tussen god en de mens: als de mens als een zelfstandig, aan
niets en niemand onderworpen, verschijnsel aanvaard wordt, zoals in het
atheďsme en eigenlijk ook in het humanisme het geval is, zijn het bestaan en de
macht van god uitgesloten, en andersom: als op de een of andere manier
god wordt beaamd of voor mogelijk gehouden, zelfs als dat een abstracte
kosmische New Age intelligentie zou zijn, is het onmogelijk om tegelijkertijd
van mening te zijn dat het om de mens zou gaan. De reden hiervoor is dat in het
ene geval de mens onzelfstandig en afhankelijk is, bestaat terwille
van iets hogers dat hij verplicht is waar te maken, en in het andere geval
niet. Beamen dat god bestaat betekent onmiddellijk beamen dat er iets boven je
uitgaat dat zowel doel als maat is. In dit geval kun je overigens best doen of
je humanist bent. Heel wat godsdienstigen passen die
truc toe: hun humanisme houdt in dat het gaat om de mens voorzover die een verhouding tot god heeft en zijn leven in
het teken stelt van het verwerkelijken van die verhouding. Dat atheďsme vooraf
gaat aan humanisme geldt ook als je, diplomatiek en vrijblijvend, beweert dat
het al of niet bestaan van een god je onverschillig laat omdat hij buiten het
kenbare zou vallen. Ook dan is het of het een of het ander.
Humanisme, als het tenminste boven de theorie uit wil stijgen en inderdaad
“levensecht” wil zijn zoals men blijkbaar op de Universiteit voor Humanistiek
wil, kan niet bestaan zonder dat atheďsme eraan voorondersteld is. Dat staat
dus lijnrecht tegenover datgene dat Douwe van Houten en zijn collegae ons
willen doen geloven.
Hebben we het over de wat meer recente
geschiedenis, dan is het wellicht verhelderend de humanisten van de
Universiteit er op te wijzen dat bijvoorbeeld in Nederland het atheďsme,
destijds georganiseerd in de vrijdenkersvereniging De Dageraad, al bijna een
eeuw (sinds 1856) van zich deed spreken voordat na de tweede wereldoorlog
(1946) het humanisme tot de oprichting van het Humanistisch Verbond leidde. En
de oprichters van dat Verbond waren...precies, de atheďstische vrijdenkers van
De Dageraad. Hun behoefte om een humanistische organisatie op te richten kwam
niet voort uit ongenoegen met of verzet tegen het atheďsme, of, nog erger, uit
onbekendheid met het atheďsme, maar uit de mening dat er hoognodig een
organisatie moest komen die de maatschappelijke en geestelijke belangen van
buitenkerkelijken zou gaan behartigen. Als je in deze maatschappij op wilt
komen voor de belangen van een bepaalde groep zul je je in hoge mate moeten
conformeren met de bestaande opvattingen over die maatschappij. Je zult dan flink
moeten inbinden met je kritiek, want isolement is wel het laatste wat je wilt.
Zo waren ook die eerste humanisten genoodzaakt zich niet al te fel tegen de godsdienstigen te verzetten, hetgeen menig humanist tot op
de dag van vandaag spijt...
Het atheďsme verdween van de voorgrond,
maar intussen is het toch een sterke stroming binnen het Humanistisch Verbond
gebleven. Helaas raakt dit feit tegenwoordig steeds meer uit het zicht sinds
een toenemend aantal min of meer vooraanstaande humanisten in de ban geraakt is
van allerlei romantische dromerijen over “verbondenheid met het Al” en “dat wat
boven ons mensen uitgaat”, kortom, zich religieus opstellen. Een romantiek
overigens die het niet slecht doet bij de algemeen aanvaarde godsdienstige levensbeschouwingen.
Er valt dan tenminste nog te praten, nietwaar...!
Waarop mijn betoog dus neerkomt is:
het atheďsme is bepaald geen laatbloeier en het is al helemaal geen stroming of
opvatting binnen het humanisme, ondanks het feit dat er onder de humanisten
heel veel atheďsten zijn. Ik durf zelfs de gedachte te verdedigen dat, als het
een al binnen het ander zou moeten zijn, het humanisme met meer recht binnen de
godloosheid gesitueerd kan worden.
Te denken dat het atheďsme, door Douwe van
Houten gemakkelijk “antireligieus humanisme” genoemd, slechts een betrekkelijke
relevantie binnen onze geseculariseerde samenleving zou hebben, is niet alleen
kinderlijk, maar ook nog volstrekt in strijd met de feiten. Wij vrijdenkers,
die ronduit voor ons atheďsme uitkomen, bemerken voortdurend dat de mensen een
grote behoefte hebben aan duidelijk uitgesproken atheďsme, aan verzet tegen de
al of niet verhulde dwingelandij van de godsdienstigen
(ook die van de Islam), aan heldere argumentatie tegen het geloof aan een
hogere macht en een radicale stellingname voor de mens als zelfstandig
verschijnsel. En nu blijkt ook nog dat het academische humanisme afwijzend
staat tegenover het atheďsme. Mij dunkt dat dit bepaald geen geringe relevantie
is! Als het humanisme nu ook al bakzeil haalt dan wordt het inderdaad de
hoogste tijd dat de vrijdenkers maar weer eens ouderwets lastig gaan worden...
Overigens kan ik me
best voorstellen dat genoemde behoefte aan duidelijk en radicaal atheďsme
buiten het gezichtsveld valt van diegenen die van mening zijn dat “het gesprek”
alleen maar mogelijk is als je lief voor elkaar bent en van daaruit met grote
nadruk en bij voorbaat stelt dat je niet tegen de opvattingen van andersdenken bent, omdat je er zeker van wilt zijn dat de
mogelijkheid uitgesloten is dat er polarisatie optreedt. Dat men bevreesd is voor polarisatie
lijkt alleszins redelijk, maar in feite maak je juist dan het gesprek zinloos.
De modieuze behoeft om een vriendelijke en redelijke indruk te maken is de
zekerste garantie dat het zozeer verlangde gesprek blijft steken in bijzaken,
waartoe ik ook en niet in de laatste plaats het academische getheoretiseer
reken. Zo ongeveer iedereen is tegenwoordig bang voor polarisatie, voor onverbloemde
standpunten en gedachten, bijna iedereen wil over komen als een redelijk mens
die een ander geheel en al in zijn waarde laat, maar met al die beleefdheid
komt zelden meer het onderste uit de kan, terwijl er wel van een grote mate van
intellectuele burgerlijkheid te spreken is. En het zogenaamde gesprek is in
feite nauwelijks meer dan o zo fatsoenlijke “social
talk”.
Bovendien: sinds wanneer staat het
vast dat tegensprekers niet bereid zijn om met hun tegenstanders een gesprek
aan te gaan? Staan de atheďsten er om bekend dat het onmogelijk is met hen een
gesprek te voeren? Wijst de geschiedenis van het atheďsme dat uit? Mij dunkt
dat het precies andersom ligt: de atheďsten zijn, zowel in het verleden
als tegenwoordig, almaar uit op gesprekken met godsdienstigen
en religieuzen. Maar helaas zijn die het steeds die elke discussie afhouden of
laten smoren in onaanvechtbare geloofsartikelen waarop de atheďsten inderdaad
alleen maar kunnen reageren door kletskoek te roepen. Wat zou je hierbij nog
beleefd blijven? Men neemt niet eens de moeite om met behoorlijk navolgbare
uitspraken te komen! Het is waar, juist door zo' n harde reactie worden de
atheďsten aangezien voor onverdraagzame en niet aanspreekbare stijfkoppen. Maar
dat is altijd nog te verkiezen boven beleefde en modieuze oppervlakkigheid,
zoals die naar ik vrees door de Universiteit voor Humanistiek voorgestaan wordt.
In die richting lijkt namelijk nog een uitspraak van Douwe van Houten te
wijzen, gedaan in dezelfde rede: "Het doorgaans leerstellige
karakter van het levensbeschouwelijke discours laten we zodoende achter ons.
Wat blijft is een appel na te denken over de kwaliteit van het leven en
vervolgens na te denken over de beoordelingsgrondslagen die hierbij worden
gehanteerd. Beide zijn echter betrekkelijke zaken, houdbaar tot nadere
aankondiging".
Tenslotte nog dit: kennelijk
definieert ook Douwe van Houten het begrip “atheďsme” nog steeds negatief.
Hoewel ik van mening ben dat men zo langzamerhand beter moest weten is het wel
enigszins te begrijpen, want het woord atheďsme is op zichzelf een negatie, a-theďsme. Toch is het anderzijds nogal slordig om aldus
tewerk te gaan, ook ten aanzien van een grote schare humanisten. Ten eerste
blijf je bij het hanteren van die negatieve definitie onvermijdelijk bevangen
in het theďsme, het godsgeloof dus. Alles wat je dan over het atheďsme zegt is
op negatieve wijze afgeleid van dat godsgeloof en daardoor bepaalt dat laatste
de betekenis en de inhoud van het eerste. Daarmee doe je aan dat eerste, het
atheďsme, groot onrecht. Ten tweede veronachtzaam je het feit dat de werkelijke
verhoudingen anders liggen. Niet het theďsme doet betrouwbare uitspraken over
reële verhoudingen in en van de werkelijkheid, maar juist het atheďsme.
Atheďsme, maar dan positief gedefinieerd als “de zekerheid dat de mens
zelfstandig is” (niets beneden of boven zich heeft), is geen tijdelijke en
plaatselijke cultuuruiting van onvolwassen mensen zoals de godsdiensten dat
zijn, maar het is een inzicht in de werkelijke verhoudingen, zelfs als het zo
nu en dan de plank mis slaat. Er is stellig een heleboel kritiek op het
atheďsme mogelijk en noodzakelijk, maar ondanks alles blijft gelden dat
godsdiensten zich verhouden tot atheďsme als onvolwassen onzin tot waarheid.
Ik weet dat dit, gemeten naar
tegenwoordige intellectuele waardeoordelen, een harde en ongenuanceerde
uitspraak is. Het feit echter dat hij niet in het (post-)moderne halfslachtige
denken past betekent niet dat hij daarom onjuist zou zijn. En het betekent ook
niet dat er geen gesprek over te voeren zou zijn. Ik nodig Douwe van Houten dan
ook vriendelijk uit in dit blad krachtige tegenspraak, hoe radicaler hoe beter,
te laten horen...
Bovenstaande
tekst is geschreven: door Jan Vis, filosoof.
Terug naar: de
Homepage van Rob van Es voor méér informatie
Zijn e‑mail adres luidt: ...
webpagina:
…
Pagina's
zijn door mij uit het tijdschrift van De Vrije Gedachte No. 232- februari 1993
overgenomen.
Aangezien
de filosofie er niet is voor enkele bevoorrechten maar juist voor alle mensen,
is het citeren uit mijn werk zonder meer
toegestaan. Wel echter zou ik het op prijs stellen dat het citeren vergezeld
gaat van een duidelijke bronvermelding! (Jan Vis)
|
|